Brandveiligheid beschouwd vanuit Brandweer- en Verzekeringsoogpunt

Buiten het werk als brandveiligheidsadviseur ben ik ook enkele jaren werkzaam geweest als risicodeskundige bij Burghgraef van Tiel & Partners waarbij, op grond van (bestaande of nog af te sluiten) verzekeringspolissen of in het kader van herverzekeren, inspecties worden uitgevoerd voor verzekeringsmaatschappijen om o.a. de brandveiligheidsrisico’s ter plaatse in kaart te brengen. Wat het werk als risicodeskundige voor mij zeer uitdagend – maar soms ook gecompliceerd – maakte, is dat er toch wezenlijke verschillen zitten tussen de beoordeling van brandveiligheid c.q. brandrisico’s beschouwd vanuit brandweer- of verzekeringsoogpunt. Hieronder een toelichting.

Het Bouwbesluit 2012 is ten aanzien van brandveiligheid in basis gericht op het voorkomen van (uitbreiding van) brand op het eigen perceel en een veilige ontvluchting bij brand. Hiertoe worden bouwwerken in het Bouwbesluit qua bouwkundige brandveiligheidseisen en brandbeveiligings-installaties getoetst aan hoofdstuk 1, 2 en 6 en qua gebruikseisen (toezicht) aan hoofdstuk 7 (eventueel in combinatie met hoofdstuk 6 t.a.v. brandbeveiligingsinstallaties). Er wordt ook wel gesproken over de BIO maatregelen (Bouwkundig, Installatietechnisch en Organisatorisch).

Op grond van het Bouwbesluit wordt o.a. getoetst op de onderdelen sterkte bij brand (constructie), toepassing van constructieonderdelen, brand-, subbrand- en beschermde subbrandcompartimenten, vluchtroutes, blusmiddelen, bluswatervoorzieningen en brandbeveiligingsinstallaties (al dan niet op grond van artikel 1.3 Gelijkwaardigheidsbepaling). Vanuit brandweeroogpunt kan dan – theoretisch en vergunningtechnisch gezien – vervolgens een brandveilig gebouw worden gerealiseerd.

Verzekeringstechnisch wordt bij brandveiligheidsinspecties uiteraard ook gekeken naar zaken zoals brandcompartimentering en brandbeveiligingsinstallaties. Dergelijke zaken zijn echter mede afhankelijk van de aanwezige risico’s en het te verzekeren belang. Op grond hiervan dienen mogelijk aanvullende brandveiligheidsmaatregelen te worden getroffen.

Om de brandveiligheidsrisico’s vanuit verzekeringsoogpunt te beoordelen wordt, naast de bovengenoemde (Bouwbesluit technische) zaken, tijdens inspecties ook gekeken naar risico’s zoals o.a. productieprocessen, type machines, soort bedrijfsvoering, algemene risico’s, buitenopslag (incl. afval), huishouding en brandgevaarlijke werkzaamheden. Om enkele voorbeelden te geven:

  • Productieprocessen: vinden er processen plaats onder verwarmde omstandigheden? Zo ja, hoe wordt er verwarmd (bijv. gas, st(r)oom of olie en wel of geen toepassing van open vuur), waarmee wordt het proces verwarmd (wordt er gebruik gemaakt van brandgevaarlijke (vloei)stoffen) en tot welke temperatuur wordt er maximaal verwarmd. Wordt het proces bewaakt (door mensen en/of computers) en zijn er (brand)beveiligingsvoorzieningen zoals bijvoorbeeld interne blusinstallaties en/of automatisch stopzetten c.q. afschakelen proces;
  • Risicovolle productie- en bewerkingsmachines: hierbij kan worden gedacht aan hout-, kunststof- en/of metaalbewerkingsmachines zoals bijv. breedbandschuurmachines (hout), spuitgietmachines (kunststof), vonkerosiemachines (metaal), filter-/afzuiginstallaties (bijv. houtmot), shredders, lakspuiterijen (spuiten met watergedragen, synthetische of cellulose lakken), werken met verdunners en verharders, thinnerdestillatie apparaten.
    Ook hierbij wordt gekeken naar de aanwezigheid van (brand)beveiligingsinstallaties zoals o.a. (interne) blusinstallaties, vonkdetectie incl. blussing in afzuigleidingen, aarding (statische elektriciteit), overspanningsbeveiliging, temperatuurdetectie (maximaalthermostaten), magneten nabij shredders en dergelijke. Ook de huishouding ter plaatse is hierbij cruciaal;
  • Zonnepanelen (PV installatie): wat is het totale vermogen (Wattpiek), doorvoeringen (kabels nabij scherpe randen dakdoorvoeren), locatie omvormers (stof/vocht), periodiek onderhoud;
  • Acculaders (heftrucks): laders gekeurd, aanrijdveilig opgesteld, vrij van brandbare opslag;
  • Restaurants / cafetaria: periodiek reinigen bakwanden (frituur) en afzuigkanalen, frituur voorzien van maximaalbeveiliging, gebruik van barbecues en terrasverwarmers;
  • Brandgevaarlijke werkzaamheden: hieronder vallen o.a. dakdekken, lassen en slijpen. Formulier Brandgevaarlijke Werkzaamheden wel / niet aanwezig en ook toegepast;
  • Buitenopslag en afval: in algemeenheid geen brandbare opslag en/of afvalcontainers binnen 10 meter van gebouwgevels. Afvalcontainers bij voorkeur van staal en afgesloten;  
  • Isolatiematerialen: bij voorkeur toepassen van minerale wol (steen- of glaswol). Andere veel voorkomende isolatiematerialen zoals PIR, PUR en EPS zijn aardolieproducten en dragen, ondanks een mogelijke gunstige brandklasse (ten hoogste B) toch in meer of mindere mate bij aan brand. Minerale wol wordt echter bestempeld als onbrandbaar. Op grond van het Bouwbesluit zijn enkel eisen gesteld aan een zijde van een  constructieonderdeel welke grenst aan de binnen- en/of buitenlucht. Het gaat hierbij dus om constructieonderdelen en niet, in geval van bijvoorbeeld sandwichpanelen, het ‘opgesloten’ type isolatiemateriaal zelf;
  • Soort bedrijfsvoering: elke bedrijfssector heeft zo haar eigen specifieke (brand)risico’s. Vanzelfsprekend zijn dit er te veel om deze allemaal te benoemen maar enkele voorbeelden van risicovolle(re) bedrijfssectoren, met diverse daarbij behorende aandachtspunten, zijn:
  1. agrarische sector: rekening houden met: elektrische installaties, heteluchtkanonnen, warmtelampen, werkplaats (lassen/slijpen), luchtwasserinstallaties, automatische voer- en melkrobots en draaicarrousels (noodzaak voor overspanningsbeveiliging), huishouding, roken in stallen, isolatiematerialen (vaak PUR of PS) en de kans op broei in hooi of stro;
  2. recyclingbedrijven à rekening houden met: de kans op broei in met name huishoudelijk afval, huishouding, transportbanden (scheefloopbeveiligingen en/of toerenwachters) gebruik van afvalsorteermachines en shredders;
  3. veevoerbedrijven  à rekening houden met: huishouding (kans op stofexplosie), koelers, hoge druk stoomketel, hamermolens, EX veilige elektromotoren, aanwezigheid explosieveiligheidsdocument (ATEX analyse);
  4. wellness sector      à rekening houden met: sauna’s. Hoe worden ze verwarmd (hout, gas, elektrisch), positie kachels, aanwezigheid maximaalthermostaat, onderhoud elektrische installatie, gebruikmaking van etherische oliën (al dan niet verdund opgieten op kachel), het wassen en drogen van vervuilde handdoeken (kans op broei in wasdroger).
  • Elektrische installaties: een aanzienlijk deel van de branden ontstaat in de elektrische installaties. Dit veelal door ondeugdelijke aansluitingen, overbelasting en/of zelf aangelegde provisorische uitbreidingen. Daarom wordt in het gros van de verzekeringspolissen het periodiek onderhoud van de elektrische installatie – conform de NEN 3140 – als voorwaarde opgenomen. Sinds enige tijd is ook de NTA 8220:2017 van kracht en deze is uitsluitend een “Methode voor het beoordelen van elektrisch materieel op brandrisico”, aldus de titel.
    Deze is gericht op de brandveiligheid van elektrische installaties en daarop aangesloten apparatuur, in relatie tot de wijze van gebruik en de omgeving. Daar waar de NEN 3140 met name is gericht op persoonlijke veiligheid, is de NTA 8220 specifiek gericht op brandrisico’s.

    Opmerking: De NTA 8220 is geen wettelijke verplichting, maar verzekeraars kunnen de toepassing van de controlemethodiek eisen in bijvoorbeeld de polisvoorwaarden van een brandverzekering. Waar vroeger vraag was naar bijvoorbeeld een NEN 3140-inspectie vanuit een brandverzekering, kan dit nu gaan verschuiven naar een NTA 8220-inspectie of wellicht beide inspecties (waarbij de NTA 8220 een aanvulling is op de NEN 3140).


De bedrijfsschade is een zeer belangrijk en haast onlosmakelijk deel van de brandverzekering. Omdat in dit stuk de nadruk echter ligt op het verschil in beoordeling van brandveiligheid c.q. brandrisico’s, wordt de bedrijfsschade (veelal vastgesteld op 52 weken) hier nu niet nader belicht.

Het grootste verschil qua beoordeling zit ‘m mijn inziens in de verschillende uitgangspunten c.q. belangen. Vanuit brandweeroogpunt (lees Bouwbesluit) geldt in basis de persoonlijke veiligheid (ontvluchting) en vanuit verzekeringsoogpunt geldt in basis het beperken van materiële schade (aan gebouwen, inventaris, goederen, machines, auto’s en dergelijke).

Nu is het uiteraard niet de intentie om hier te stellen dat het één beter is als het ander want het gaat hierbij, zoals ook eerder al gesteld, om verschillende uitgangspunten / belangen alsmede van toepassing zijnde wet- en regelgeving (Bouwbesluit als AMvB op grond van de Woningwet). Bovendien ligt er vaak een menselijke fout ten grondslag aan het ontstaan van brand, en in veel gevallen is het volledig afbranden van het (bedrijfs-)gebouw zelfs een ‘voorspelbare afloop’.

Wat wel een positieve bijdrage aan brandveiligheid kan leveren is als brandweer en verzekeraars elkaar op dit gebied kunnen aanvullen. Gezien de gezamenlijke belangen is er in ieder geval de intentie tussen Brandweer Nederland en het Verbond van Verzekeraars om meer met elkaar samen te werken zodat brandveiligheidsrisico’s beter op elkaar kunnen worden afgestemd ter voorkoming van brand. Ook worden te (ver)bouwen bouwwerken vanuit brandweeroogpunt tegenwoordig steeds meer risicogericht (mede op grond van NEN 6079) dan regelgericht getoetst c.q. beoordeeld.

In dit kader is het wellicht een optie om het Bouwbesluit – vanaf 2019 opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) – met enkele van bovenstaande punten als prestatie eisen uit te breiden, zoals bijvoorbeeld met het periodiek c.q. adequaat onderhoud van de elektrische installatie (conform NTA 8220) en het toepassen van onbrandbare isolatiematerialen (minerale wol).
Bij dit laatste valt vooral te denken aan verplichte toepassing hiervan bij woonfuncties, woonfuncties voor zorg, celfuncties, gezondheidszorgfuncties en logiesfuncties. Dus daar waar wordt geslapen, mensen verminderd of niet zelfredzaam zijn en waar mensen (tijdelijk) kunnen zijn opgesloten.

Hopelijk lijdt deze ontwikkeling tot minder slachtoffers en minder (grote) materiële schadegevallen !

Auteur: Roland van Doorn